Knieklachten

Na nek- en rugklachten, zijn knieklachten in de huisartsenpraktijk de meest voorkomende klachten van het bewegingsapparaat. De knie is een zeer complex gewricht met veel verschillende type weefsels die allemaal aan elkaar verbonden zijn, en elkaar beïnvloeden. Dit betekent dat er dus veel verschillende type blessures kunnen ontstaan binnen dit gewricht.

Knieklachten kunnen ontstaan als gevolg van een trauma (val, verdraai of verstapmoment etc.), maar kunnen ook zonder trauma ontstaan. Hier gaan we eerst verder in op een aantal veelvoorkomende niet-traumatische knieklachten.

Ongeveer 60% van de patiënten met niet-traumatische knieproblemen is ouder dan 25 jaar. Per jaar komen er 13,7 op de 1000 mensen met knieklachten bij. En de op dit moment hebben er 19,0 per 1000 personen knieklachten, met een gelijke verdeling over beide geslachten. Bij ongeveer 15% van de volwassen patiënten die de huisarts consulteren met niet-traumatische klachten van de knie blijkt er sprake te zijn van een bursitis prepatellaris, eveneens 15% van een tractus iliotibialis frictiesyndroom en bij 3% van een bakercyste. Over deze aandoeningen later meer. Artrose (slijtage) van de knie is ook een veel geziene reden voor mensen om naar de huisarts te gaan. Na de middelbare leeftijd neemt dit sterk toe, vooral bij vrouwen, en is artrose van de knie de meest voorkomende chronische gewrichtsaandoening.

Slijmbeursontsteking

Bursitis prepatellaris is vaak het gevolg van stoten of veel knielen, zoals dat voorkomt bij bepaalde beroepen (stratenmakers, stoffeerders) of sporten (judo, worstelen). Er bestaan een acute en een chronische vorm. De acute vorm wordt gekenmerkt door een ontsteking. Van een chronische vorm is sprake als de zwelling na een aantal weken nog aanwezig is of deze vaak terugkomt. Hierbij is het van belang dat de onderliggende oorzaak wordt vastgesteld en weggenomen.

Het tractus iliotibialis frictiesyndroom

Het tractus iliotibialis frictiesyndroom is blessure die veel voorkomt bij duursporters (bv hardlopen). Het ontstaat door herhaaldelijke frictie/wrijving van de peesplaat over de laterale femurcondyl (buitenste botknobbel van de knie). Deze peesplaat aan de buitenkant van je bovenbeen noemen we de tractus iliotibialis, en deze verschuift naar voren over de condyl (botknobbel) bij kniestrekking en naar achteren bij kniebuiging. Het (pijnlijke) frictiemoment treedt op bij iets minder dan 30° kniebuiging. Hierbij is het belangrijk dat de belasting tijdelijk wordt aangepast en met het doen van gerichte oefeningen kan deze klacht worden opgelost.

De Bakerse cyste

Een bakercyste ontstaat waarschijnlijk doordat een in de knieholte aanwezige slijmbeurs vanuit het kniegewricht wordt gevuld als gevolg van een overproductie van synoviale vloeistof (hydrops). Deze overproductie kan worden veroorzaakt door een afwijking of schade in het gewricht. Deze afwijking of schade (artrose, reuma, meniscusletsel) kan zonder pijn of andere symptomen aanwezig zijn, maar wel als gevolg hebben dat er een Bakerse cyste ontstaat. Zolang de onderliggende oorzaak van de overproductie van synoviale vloeistof niet is weggenomen, zal de aandoening in wisselende mate aanwezig blijven.

Artrose van de knie (slijtage)

Artrose van de knie (gonartrose) is een normaal verouderingsproces (degeneratie) dat bij ieder mens plaatsvindt. Er zijn wel meerder factoren die dit proces kunnen versnellen. Ook zijn er factoren die invloed hebben op de mate waarin er klachten van worden ondervonden. Want de mate of ernst van slijtage staat niet in een 1 op 1 verhouding in relatie met de mate van klachten of beperkingen. Zowel erfelijke belasting, voeding, en botdichtheid zijn van invloed, als ook spierzwakte, overgewicht, werkbelasting, en knietrauma’s beïnvloeden in meer of mindere mate het ontstaan van knieslijtage. Knieslijtage komt vaker voor bij (postmenopauzale) vrouwen dan bij mannen. Bij knieslijtage is de belangrijkste verandering een vermindering van de dikte en kwaliteit van het kraakbeen. Als reactie daarop verdikt het onderliggende (subchondrale) bot en vindt aan de randen van het gewricht extra botaanmaak (osteofytvorming) plaats. Daarnaast ontstaat een chronische ontsteking van het kapsel. Het gevolg van deze processen is een onregelmatig gewrichtsoppervlak, benige verbreding van het gewricht, mogelijke verdikking van het gewrichtskapsel en soms ophoping van synoviale vloeistof (hydrops). Dit uit zich in pijn, bewegingsbeperking en op den duur verlies van de kniefunctie. De artrose kan zich in de gehele knie voordoen of zich beperken tot een deel van de knie, zoals de achterkant van de knieschijf of het binnenste deel van de knie. In deze laatste gevallen kan een O stand of X stand van het been ontstaan. Ook kan een O of X stand voorafgaan aan de artrose en bijdragen aan het ontstaan of verergeren van de artrose. Knieslijtage heeft een wisselend progressief beloop, wat wil zeggen dat het in de tijd in wisselende mate zal toenemen.

Osgood Schlatter

Bij de ziekte van Osgood-Schlatter is de pijn gelokaliseerd onder de knieschijf, waar ook een zwelling kan ontstaan. De aandoening is gerelateerd aan de groeispurt en komt vaker voor bij actief sportende kinderen en dan iets vaker bij jongens. De klachten duren meestal enkele maanden, maar soms ook langer en gaan vrijwel altijd over na de groeispurt. Verondersteld wordt dat de aandoening het gevolg is van herhaalde trekkracht van de kniepees ter hoogte van de aanhechting onder de knieschijf. Erg belangrijk hierbij is het doseren van de belasting, om de aanhechting rust te geven. Daarnaast kunnen oefeningen, tape en koelen helpen de pijn te verminderen.

Het patellofemorale pijnsyndroom

Dit komt vaker voor bij meisjes en kan zich op verschillende manieren uiten. Mensen hebben kniepijn achter, onder of rondom de knieschijf of met andere symptomen zoals knerpende geluiden, stijfheid, zwelling of een instabiliteitsgevoel vooral bij traplopen. De aandoening komt soms dubbelzijdig voor. De pijn is vooral aanwezig tijdens en na belasting (sport of traplopen) en bij zitten met gebogen knieën. Het versterken van specifieke spiergroepen in de heupregio, bovenbeen en onderbeen geeft over het algemeen goede resultaten. Bij hardlopen kunnen kleine aanpassingen in de looptechniek helpen de klachten te verminderen.

De jumper’s knee/ tendinopathie patellapees

Dit is een blessure van de knie, waarbij de patellapees (kniepees) pijn doet. Mensen geven pijn aan, gelokaliseerd aan de voorzijde van de knie, veelal na belasting. De aanhechting van de patellapees aan de onderpool van de knieschijf is vaker aangedaan dan de aanhechting aan de bovenpool van de knieschijf of op de aanhechting van onderbeen. In de meeste gevallen betreft het geen tendinitis, maar een tendinopathie. Sportbeoefening waarbij veel gesprongen wordt (zoals volleybal of basketbal), kan verantwoordelijk zijn voor het ontstaan ervan. De jumper’s knee heeft in principe een gunstige prognose. Bij atleten kunnen echter langdurig milde klachten blijven bestaan. Recente ontwikkelingen in wetenschappelijk onderzoek naar behandeling van deze klachten laat zien, dat hele specifieke oefeningen goede resultaten geven. Bij hardlopers kan ook de looptechniek een onderliggende oorzaak zijn.

Knieklachten traumatisch

Met ‘traumatische’ knieklachten, bedoelen we dat de klachten zijn ontstaan als gevolg van een val, verdraaimoment etc. De meeste knieletsels ontstaan tijdens sportbeoefening of bij activiteiten die niet aan werk of verkeer gerelateerd zijn. Over het algemeen is het beloop van knieletsels gunstig. Bij de meeste mensen treedt waarschijnlijk binnen drie maanden een aanzienlijk herstel van de klachten op. Afhankelijk de aard en de ernst van het letsel, kan dit op langere termijn een verhoogd risico geven op knieartrose. Gerichte oefeningen kunnen het risico op knieletsel bij mensen die deelnemen aan risicosporten verlagen. Een direct trauma van de knie kan door weefselbeschadiging pijn, zwelling en een beperkte beweeglijkheid veroorzaken. Het natuurlijk beloop is gunstig; de patiënt is in enkele weken klachtenvrij en in staat de normale activiteiten te hervatten. Maar in veel gevallen is dat niet het geval en kan fysiotherapie helpen de klachten en beperkingen te verminderen.

Binnenste kniebandletsel

Bij een trauma met een grote inwerkende kracht vanaf de buitenkant van de knie, neemt de kans op een (gedeeltelijke) scheur van vooral de binnenste knieband of een beschadiging van de menisci en de kruisbanden, toe. Bij een beschadiging van de binnenste knieband zal doorgaans zwelling en pijn ter plaatse van de binnenste knieband optreden. Een geïsoleerd letsel van de binnenste knieband zal in de meeste gevallen binnen drie maanden spontaan genezen. Een totale scheur van de binnenste knieband is zeldzaam en gaat meestal samen met letsel van andere structuren in de knie.
Als binnen enkele uren na het trauma een zwelling in het kniegewricht ontstaat, dan is de kans groot dat er een beschadiging van de kruisbanden of menisci is. Daarnaast kunnen er instabiliteitklachten (door de knie zakken) ervaren worden die, afhankelijk van werk- en sportbelasting, ook op langere termijn beperkingen en klachten kunnen veroorzaken.

Voorste kruisbandletsel

Een letsel van de voorste kruisband treedt meestal op bij een plotselinge beweging waarbij de voet naar buiten en de knie naar binnen beweegt (valgus-exototatiebeweging) of een geforceerde ventrale verplaatsing van onderbeen (tibia) ten opzichte van het bovenbeen (femur). Er zijn aanwijzingen dat vrouwen tijdens risicosporten een groter risico op een voorstekruisbandletsel hebben dan mannen. Vrouwen zijn vaak wat instabieler in hun gewrichten, en dit speelt hierbij waarschijnlijk onder andere een rol. De invloed van hormonale factoren is onduidelijk.

Achterste kruisbandletsel

Een achterstekruisbandletsel is meestal het gevolg van een fors trauma, en komt minder vaak voor dan een voorste kruisbandletsel. Er zijn aanwijzingen dat achterste kruisbandletsels spontaan kunnen herstellen. Een meniscusletsel kan in de acute fase en enige tijd na het trauma gepaard gaan met hydrops en pijn en slotklachten bij buigen of strekken van de knie. Bij een slotstand van de knie na een trauma is vaak sprake van een meniscusletsel. Een meniscusletsel ontstaat vaak na een (geforceerde) draaibeweging van het onderbeen tijdens gelijktijdige flexie of extensie, maar kan ook zonder duidelijk voorafgaand trauma optreden. In het laatste geval kan het gaan om degeneratief meniscusletsel. Er zijn aanwijzingen dat klachten van een meniscusletsel binnen drie maanden tot een jaar aanzienlijk verminderen en dat sommige meniscusletsels spontaan kunnen herstellen. Een direct trauma of een val en de onmogelijkheid om de aangedane knie te kunnen belasten, kunnen wijzen op een kniefractuur. Van alle kniefracturen bij volwassenen gaat het in de helft van de gevallen om een patellafractuur en in ongeveer een derde om een tibiaplateaufractuur. De overige fracturen betreffen voornamelijk fracturen van het caput fibulae, de distale femur of de eminentia intercondylaris. Bij een kniefractuur bij kinderen betreft het vooral een fractuur van de proximale tibia. Patellaluxaties ontstaan meestal ten gevolge van een geforceerde (flexie- en valgisatie)beweging tijdens sportbeoefening en komen in de huisartsenpraktijk zelden voor. De patella luxeert bijna altijd naar lateraal en de luxatie gaat vaak gepaard met een haemarthros. De luxatie kan spontaan of door ingrijpen van de patiënt reponeren. Predisponerende factoren zoals een vlakke laterale femurcondyl of bandlaxiteit kunnen bij een (recidiverende) patellaluxatie een rol spelen. Soms treedt er een osteochondraal fractuur van de patella of laterale femurcondyl op. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat operatieve behandeling van een eerste episode van een patellaluxatie betere resultaten oplevert dan conservatieve behandeling.

Last van knieklachten?

We kijken graag wat we voor je kunnen doen, boek nu een gratis intake.

“Als gevolg van artrose al langere tijd last van nekklachten. Hiervoor al door verschillende fysiotherapeuten behandeld, zonder veel resultaat. Na enkele behandelingen door Chris van FysioChris al snel verlichting van mijn klachten, waardoor ik de meeste dingen weer probleemloos kan doen.”

Carla Beukers

50 jaar